Drie letters die in tien jaar van de vergeten laatste bladzijde van het jaarverslag naar de nieuwe bedrijfsreligie zijn gegaan — met haar hogepriesters (de auditors), haar aflaten (koolstofkredieten) en haar inquisitie (de LinkedIn name-and-shame). Laten we dus de lastige vraag stellen: is ESG in de voedingsindustrie een echte noodzaak, echte vooruitgang, of gewoon een nieuwe kostenpost vermomd als deugd?
Laten we beginnen met het ongemakkelijk voor de hand liggende: het meeste van wat ESG van ons vraagt, deden onze grootouders gratis. Niet verspillen. Je mensen fatsoenlijk behandelen. De rivier ernaast niet vergiftigen. We hebben een letterwoord uitgevonden om te herontdekken dat verspilling duur is en dat minachting uiteindelijk altijd de rekening stuurt.
Waar het wringt: tussen het gezond-verstandidee en de uitvoering is een hele industrie geslopen. Consultants, concurrerende referentiekaders, spreadsheets met honderd kolommen. Soms meten we meer dan we handelen. Een kmo kan vandaag meer uitgeven aan het bewíjzen dat ze deugdzaam is dan aan het worden.
Moeten we daarom het kind met het rapporteringswater weggooien? Nee. Want achter het jargon is de evolutie echt: een klant die traceerbaarheid eist, een medewerker die zin zoekt, een energieprijs die efficiëntie plots rendabel maakt. Goed uitgevoerde ESG is geen morele belasting, het is management — het soort dat het risico ziet vóór het geld kost.
De echte scheidslijn is dus niet "voor of tegen ESG". Het is: creëer je waarde, of vink je vakjes af? Dezelfde drie letters kunnen een strategische hefboom zijn of een steriel kostencentrum. Alles hangt af van wie de pen vasthoudt.
Aan mijn collega's die deze trajecten leiden: heeft jullie ESG ooit echt een risico vermeden of een echte kans gegrepen — of heeft ze tot nu toe alleen maar PDF geproduceerd?